De voorbereiding van een fietsreis – Het plan

Gepubliceerd door Marco Singelenberg op

Fase 1 – Een goed plan

Voorbereiding van een fietsreis - wereldbol

De voorbereiding van een reis bestaat bij mij uit vier fases.

De eerste en belangrijkste van die fases is het maken van een plan. Alles staat, valt en begint met een plan. En dan het liefst een goed plan.

Het uitvogelen van een goed plan is driekwart van de hele voorbereiding en in dat uitvogelen kan nog best wat tijd gaan zitten. Het fantastische is dat ik inmiddels uit ervaring weet dat alles wat ik bedenk ook echt kan. Het lastige is dat ik inmiddels uit ervaring weet dat alles wat ik bedenk ook echt mogelijk is. Want als alles kan, wat moet het dan uiteindelijk gaan worden? 

Wat wordt het niet?

Ontelbare vage, rare, goede en minder goede ideeën zijn er door mijn hoofd geschoten. Ik heb er even aan gedacht een winter in Scandinavië door te brengen om daar te leren langlaufen en het noorderlicht te zien en ik heb gefantaseerd over werken in zonnige landen, over lange wandeltochten door Noord-Amerika en over gewoon gaan wonen op een gekke plek.

Ook heb ik nog even serieus nagedacht over een reis met een rugzak. Door Zuid-Amerika bijvoorbeeld, of over de eilanden in de Stille Oceaan.

Maar dat idee heb ik toch gauw weer verworpen.

Vijftien jaar geleden vond ik dat nog geweldig, in een trein stappen om, met mijn rugzak in het bagagerek, van de ene grote stad naar de volgende te worden gebracht, waar ik me dan wederom kon vergapen aan kastelen, kathedralen, fjorden, besneeuwde bergtoppen, Romeinse ruïnes, impressionistische schilderijen, jugendstilgebouwen, watervallen en bronzen standbeelden van op hun paard zittende militairen, die kennelijk ooit belangrijk zijn geweest.

Moe van al die indrukken keerde ik dan terug naar de jeugdherberg, om daar aan de bar bier te gaan drinken met Amerikanen, Australiërs en andere West-Europeanen.

Alles was toen overweldigend mooi. Alles was verfrissend nieuw.
Maar de tijden zijn veranderd.
Die maagdelijke onbevangenheid, die ben ik kwijt.

Nu vind ik dat helemaal niet meer zo leuk. Ik heb inmiddels zoveel oude gebouwen, kunstwerken en kerken gezien, dat ik daar nog maar zelden warm of koud van word.

Daarnaast kan ik me, nu ik zelf twee decennia verder ben, bijna geen huiveringwekkender nachtmerrie voorstellen, dan op een slaapzaal van een jeugdherberg te moeten liggen, samen met twintig blanke westerse twintigers, die elkaar steevast en dolenthousiast vertellen dat ze op hun avonturen precies hetzelfde hebben gedaan als al hun soortgenoten.

Een mooie fietsreis

Maar hoe dan ook, mogelijkheden te over dus. Toch hoefde ik over wat ik echt wilde gaan doen eerlijk gezegd niet eens zo heel lang na te denken.

Een mooie fietstocht.
Een mooie fietstocht, waarbij ik op eigen kracht van het ene punt naar het andere moet zien te komen.

Iedere dag een nieuw doel, iedere dag een nieuw avontuur. De ene dag een miljoenenstad, de andere dag een onherbergzaam gebied.

Met fietsen kom je niet in jeugdherbergen, nauwelijks in ieder geval, en waar ik weet dat een bezoek aan het zoveelste kasteel me nauwelijks nog iets doet als ik daar door een taxi voor de ophaalbrug word afgezet, weet ik ook dat datzelfde kasteel me nog altijd kippenvel bezorgt als ik het, na dagenlang door weer en wind over belabberde, steile wegen te hebben gereden, plotseling vanuit de verte op een berghelling zie liggen.

Zo’n fietstocht is waarschijnlijk nog altijd het mooiste wat er bestaat.
En dat is wat ik nog één keer wil gaan doen.

Wandelen had natuurlijk ook gekund. Ook lopen vind ik geweldig, maar het grote nadeel van lopen is dat het zo allejezus langzaam gaat.

Het wordt dus fietsen.

Alleen

Wat ook van begin af aan vaststond, is dat ik alleen zou gaan.

Hoewel het delen van lief en leed met iemand die me op kan beuren als ik er even doorheen zit een aantrekkelijke gedachte is, weegt dat in geen velden of wegen op tegen de totale vrijheid en de complete onafhankelijkheid die het alleen zijn met zich meebrengt.

Geen rekening hoeven houden met, of verantwoording afleggen aan anderen. Alleen maar doen wat ik zelf wil, durf en kan. Nooit iets hoeven doen waar ik eigenlijk geen zin in heb.
Mijn wil zal geschieden.

En bovendien zou ik, zelfs als ik zou willen, helemaal niemand kunnen bedenken die met me mee zou willen. Ook niemand die ik met me mee zou willen hebben trouwens.

Duizend-en-één mogelijkheden

Alleen en op de fiets dus. Maar ook dan zijn er nog duizend-en-één mogelijkheden.

In ieder geval moest het iets worden wat al het andere dat ik ooit heb gedaan zou doen verbleken. Iets groots. Iets extreems. Iets onvoorstelbaars. Iets waarmee ik mezelf zou verbazen en iets wat anderen niet voor mogelijk zouden houden. Iets waarvan ik ’s nachts af en toe wakker zou schrikken en iets waarover ik me onderweg regelmatig in mijn arm zou moeten knijpen, om er zeker van te zijn dat ik echt aan het doen ben wat ik het aan het doen ben.

Groener gras

Maar wat? Of, om te beginnen, wat niet?

Op mijn zwakkere momenten ben ik iemand voor wie het gras bij de buurman altijd groener lijkt. Wat de buurman heeft, dat wil ik ook. Wat de buurman kan, dat wil ik ook kunnen.

Als ik zie dat een ander iets op een bepaalde manier doet, dan heb ik de neiging dat op precies dezelfde manier te gaan doen. Wat ik daarbij dan over het hoofd zie, is dat ik heel veel van die dingen helemaal niet kan. Ik heb beperkingen en die beperkingen wil ik ontkennen.
Ik wil geen beperkingen hebben en als ik niet uitkijk ga ik ook nog bewijzen dat ik ze helemaal niet heb.

Romantiek

Zo is voor mij bijvoorbeeld de meest romantische manier van reizen gewoon weggaan. Weggaan, naar waar de wind je die dag brengt. De boel de boel laten en nooit van tevoren weten waar je terechtkomt.

Met te veel adoratie kijk ik op naar die Fransman die al jarenlang zonder vastomlijnd plan de wereld rond fietst. Voor mij is hij de koning, de held die de hele wereld tot zijn huis heeft gemaakt. Hij is de zwerver. De vrijbuiter die elke dag onbezorgd de zon tegemoet rijdt. De romanticus pur sang.

En wat een bewondering heb ik voor die jonge Franse jongen. Drieëntwintig jaar en nu al de ware avonturier. Hij heeft zo goed als geen geld en slaapt nacht na nacht onder de sterren in het bos of aan een meer.
Dag na dag kookt hij zijn potje op een zelfgemaakt kookstel, dat hij uit zijn zelfgemaakte waterdichte fietstassen tevoorschijn haalt en voordat hij gaat slapen kneedt hij deegballetjes, die hij dan de volgende ochtend als ontbijt kan eten.

Man, wat zou ik graag willen zijn als zij.
Ik wil ook zonder plan kunnen vertrekken en maar zien waar de wind me heen waait. Toch is het beter als ik dat niet doe.

Gepaste jaloezie

Uit ervaring weet ik namelijk dat dat absoluut niks voor mij is. Ik ben niet zo. Ik heb het geprobeerd, maar ik vind dat helemaal niet leuk.
Ja, misschien voor een maand, maar zodra de eerste lol eraf is heb ik het idee dat ik een beetje doelloos ronddwaal. Na drie maanden wil ik dan weer naar huis en stop ik ermee.

En ik kan helemaal niet als een soort survivalkoning elke nacht in een tent slapen en elke avond mijn eigen eten koken.
Na een paar regenachtige dagen ben ik dat spuugzat en wil ik alleen nog maar dat een lief oud omaatje een bord warm eten voor me klaarmaakt en dat ik daarna een warme douche kan nemen en lekker onder een schoon dekbed met een geelbruin ruitjesmotief kan kruipen.

Het geduld van de Engelse motorrijder, die bereid is wekenlang in de een of andere obscure Afrikaanse hoofdstad te gaan zitten wachten op een visum dat hij waarschijnlijk nooit zal krijgen. Ik heb dat geduld niet.
De discipline van die rare Duitser, die elke godvergeten dag tussen de 200 en de 250 kilometer fietst. Ik heb die discipline niet.
De onverschilligheid van dat charmante Britse stelletje dat de fietsen gewoon onder in de bus gooit als ze een dag geen zin hebben om zelf te trappen. Die onverschilligheid, die is niet aan mij besteed.

Daar zal ik altijd rekening mee moeten houden. Ik zal moeten accepteren dat ik bepaalde eigenschappen niet heb en dat ik me beter kan richten op de dingen waar ik goed in ben.
Met gepaste jaloezie en vol bewondering zal ik in gedachten moeten klappen voor al die mensen die al die dingen zo goed kunnen, om me vervolgens te beperken tot dat wat ik zelf wel kan. 

Een strak, maar mooi plan

Wat ik moet hebben, waar ik het beste bij gedij, is een strak, maar mooi plan. Een plan met een duidelijk en tot de verbeelding sprekend beginpunt en een eveneens duidelijk en nog meer tot de verbeelding sprekend eindpunt.

Mijn vorige fietsreis was door de Verenigde Staten, van New York aan de oostkust naar San Francisco aan de westkust.
Dat vond ik mooi. Van kust naar kust. Van een punt waar niets voor ligt naar een punt waar niks meer na komt. Een absoluut begin en een absoluut einde.
Dat wil ik nog wel een keer. Maar dan grootser en extremer.

Ik heb zitten denken aan Australië, aan Zuid-Amerika en ook aan het Verre Oosten, maar uiteindelijk is mijn keuze gevallen op Europa en Afrika.

Europa en Afrika

Van Europa kan ik nog altijd geen genoeg krijgen, met al die verschillende kleine landjes en al die verschillende kleine cultuurtjes en bovendien ligt er in dat continent een hele reeks landen, recht onder elkaar van noord naar zuid, van Finland tot Roemenië, waar ik nooit eerder ben geweest.

Van daaruit kan ik makkelijk het Midden-Oosten in, ook een gebied dat al lang een onverklaarbare aantrekkingskracht op me heeft, en hoewel ik eigenlijk nooit eerder over Afrika heb nagedacht, is dat continent het enige logische vervolg.

Voilà. Dat gaat het worden.

Ergens halverwege 2011 was ik eruit en dit is het uiteindelijke plan geworden: van het noordelijkste puntje van Europa naar het zuidelijkste puntje van Afrika. Van Knivskjelodden in Noorwegen op 71⁰11 noorderbreedte naar Kaap Agulhas in Zuid-Afrika op 34⁰50 zuiderbreedte. Door Scandinavië, de voormalige Sovjet-Unie, het Midden-Oosten en dan dwars door het oosten van Afrika naar beneden.

In mijn eentje op de fiets van het begin naar het einde van de wereld.
Dat is onvoorstelbaar en extreem genoeg.

De praktijk

Nu kan iedereen natuurlijk de meest fantasievolle gedachten hebben. Al hangend boven een atlas is het makkelijk lijntjes trekken op een kaart. De vraag is alleen of het in de praktijk ook uitvoerbaar is.

En ja, dat is het. In theorie. De hele route is over land af te leggen.

Ik weet zeker dat ik hoe dan ook een heel eind kan komen, maar ik besef ook dondersgoed dat niet alles zal gaan zoals ik wil.

Ik wil dan wel het liefst zo weinig mogelijk vast komen te zitten, want daar word ik ongelukkig van, maar de kans dat dat toch een keer zal gebeuren is levensgroot.
Ik wil zo weinig mogelijk in vliegtuigen, in minibussen en achter op pick-up trucks belanden, maar de kans dat ik daar helemaal aan zal ontkomen is uiterst klein.

Krijg ik wel een visum voor Rusland? En voor Wit-Rusland?
Gaat het escaleren in het Midden-Oosten?
Kom ik met een stempel van Israël in mijn paspoort de Arabische landen waar ik daarna nog door moet wel in?

En dan durf ik over Afrika nog niet eens na te denken. In dat continent is er al helemaal nooit en nergens iets zeker. Daar kan op ieder willekeurig moment op elke willekeurige plek een oorlog, een revolutie, een hongersnood of een dodelijke ziekte uitbreken.

Voor de zekerheid heb ik dus ook maar een plan B gemaakt, waarbij ik het Midden-Oosten oversla, en een plan C, waarbij ik Afrika niet aan de oostkant, maar via het westen doorkruis. Misschien heb ik nog wel een plan D en een plan E nodig ook.

Maar dat zien we dan wel weer.
Eerst maar eens kijken hoe ver ik kan komen met plan A.B

Volgende: Fase 2 – Het geld
Vorige: Noord-Europa: Van Porvoo naar Hamina – De grens
Of begin hier gewoon bij het begin van mijn boek ‘Figurant in de Hoofdrol’


0 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.