De illusie van beroemdheid

Gepubliceerd door Marco Singelenberg op

Het wekken van suggesties

De illusie van beroemdheid - Glasgow - in de Rij
Glasgow 1999. Met mijn fans in de Rij

Hoewel ik zelf de bescheiden mening ben toegedaan dat alles wat ik schrijf verplichte kost zou moeten zijn voor de gemiddelde HAVO-scholier, weet ik ook wel dat dat niet de realiteit is. En dat dat ook nooit de realiteit zal worden.
Ik mis domweg het zakelijke inzicht, het ijzeren verlangen en ook net dat extra beetje talent dat nodig is om door een groot en breed publiek in de armen te worden gesloten.

Ik ben geen Harry Mullisch, geen Simon Vestdijk, geen Hugo Claus, en zelfs geen Kluun of Heleen van Rooijen. En omdat ik verder ook niet kan acteren of zingen, geen muziekinstrumenten beheers, de intelligentie ontbeer om het tot minister van Economische Zaken te schoppen, mijn lichaam zich niet leent voor een carrière als supermodel en ik het lef niet heb om op Prinsjesdag waxinelichtjes tegen Gouden Koetsen aan te gooien, zal ik ermee moeten leren leven dat ik nooit beroemd zal worden.
Die schijnwerpers zal ik uit mijn hoofd moeten zetten.

Maar.
Dat ik nooit genoeg faam zal vergaren om tot nationale troetelbeer te worden uitgeroepen, dat weet niet iedereen.
En dat schept mogelijkheden.
Mogelijkheden om dat moment tóch te pakken.
Dat ene moment waarop anderen eerst vermoeden, dan denken en daarna denken te weten dat ik in het Nederlandse culturele erfgoed zit vastgeroest.

Ja, schijnwerpers zijn te misleiden.
Maar niet zo vaak.
Schijnwerpers laten zich niet heel vaak om de tuin leiden, en áls je dan een keer de kans krijgt dat te doen, dan moet je die kans wel aangrijpen.

Mij is dat tot op heden twee keer gelukt. Ik heb dat ene moment al twee keer gegrepen. Met beide handen.

Oktober 1999. Glasgow.

Sport. Daar hou ik van.
En daarmee bedoel ik niet dat ik dat zelf nou zo graag doe, sporten, maar dat ik het fijn vind om naar sport te kijken.
Lekker een hele zondag op de bank liggen zappen van cricket naar Formule 1, naar volleybal, tennis, driebanden en wielrennen, tot laat op de avond de presentator van Studio Voetbal me eindelijk een fijne nachtrust toewenst.

Ja, sport op televisie is leuk. Maar nooit zo leuk als in het echt.
Op tv ontbreekt de magie.
Op tv hoor je het niet. Hoe de onder het stof zittende wielrenners door elkaar worden geschud als ze op abominabele kasseienstroken in het noorden van Frankrijk van steentje naar steentje stuiteren.
Het verlichte, maagdelijk lege, groene voetbalveld dat opdoemt na het beklimmen van de stadiontrappen. De ingenieuze manier waarop een kogel bij atletiekwedstrijden naar de stoters teruggerold wordt. Die ijzige, verwachtingsvolle stilte bij een snookerwedstrijd. Het gejoel bij het darten. De gezapige familiesfeer bij een korfbalfinale. Twee boksers die elkaar tot moes slaan. De oorverdovende herrie van langsrazende motoren op het rechte stuk van het circuit van Assen. Hoe hol de echo nagalmt als de bal met een onvoorstelbare snelheid van een honkbalknuppel afspat.
Je beleeft het nooit zo intens als je tv kijkt.

Nee, als je magie wilt, dan moet je naar zo’n wedstrijd toe.

Rugby

En dat is precies de reden dat ik met vriend M naar Schotland ben afgereisd.
We zijn op zoek naar magie en hopen die te vinden bij het wereldkampioenschap rugby, dat zich dit jaar op de Britse eilanden afspeelt.

Vier jaar geleden, in 1995, is het Zuid-Afrikaanse rugbyteam op legendarische wijze wereldkampioen geworden door in eigen land Nieuw-Zeeland in de finale te verslaan. En nu zitten we verwachtingsvol op de tribune te hopen nog een greintje mee te kunnen pikken van de magie die nog altijd om dit team heen hangt.

In hun laatste poulewedstrijd moeten de Zuid-Afrikanen aantreden tegen het team van Uruguay. De sfeer in het veel te grote stadion is gek. Wij zitten tussen enkele busladingen blanke, nationalistische Afrikaners in. De rest van de tribune is, op het handjevol verdwaalde Uruguayanen recht tegenover ons na, leeg.

Zuid-Afrika heeft geen kind aan de zwakke Zuid-Amerikaanse tegenstander en de wedstrijd is dus niet bijzonder spannend.
Toch is het mooi.
Snelle, sterke en behendige beesten van mannen die in de scrums, de line-outs, de tackles en de opstootjes fysiek contact op geen enkele manier uit de weg gaan. En als kers op de taart zorgt levende legende Joost van der Westhuizen ook nog voor een try. Heerlijk.
Dat is waar we voor gekomen zijn.

Scrum bij Zuid-Afrika-Uruguay
Scrum bij Zuid-Afrika-Uruguay

Zuid-Afrikaanse rugbyfan
Zuid-Afrikaanse rugbyfan

De Rij

Zodra de wedstrijd is afgelopen gaan we de stad in. Op zoek naar bier. Geen rugby zonder bier. Dat zou nergens op slaan.

We komen in wat kroegen terecht, drinken genoeg van die grote, lompe, tot de nok toe met schuimloze, net geen lauwe pis gevulde glazen en voeren gesprekken met onverstaanbare, dronkenmanslallige Schotten.
Voor we er erg in hebben is de avond om. De pubs sluiten hier om elf uur en veel vroeger dan gehoopt moeten we de straat weer op.
Van arren moede beginnen we aan de terugweg naar onze slaapzaal in de jeugdherberg.

Onderweg komen we langs een grote groep mensen, die zich min of meer in een rechte lijn achter elkaar hebben opgesteld.
De Rij.
De Rij die zich heeft gevormd voor een zo te zien tamelijk populaire nachtclub.
Interessant.

We sluiten aan. Achteraan.

Niet dat M en ik naar binnen willen. Geenszins. Niks voor ons. Dit soort clubs. Muziek waar we niet van houden. Te dure drankjes. Te hip publiek. Nee. Niks voor ons.
We willen hier zeker niet naar binnen, maar omdat de Rij een onverklaarbare en onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent, en omdat slapen ook maar gewoon slapen is, gaan we er toch in staan. In de Rij.

Als we een tijdje verder zijn, en al best wat plaatsen zijn opgeschoven, vind ik het tijd voor een fotomoment. Ik geef M mijn fotoapparaat en vraag hem een foto van me te nemen terwijl ik in de Rij sta.
Leuk voor later, lijkt me zo.

Nieuwslezer en persparasiet

Als M op het punt staat de foto te gaan nemen, roep ik hem hard toe dat hij op moet sodemieteren. Dat hij me nou es een keer met rust moet laten.

De mannen en vrouwen die om me heen staan ruiken sensatie. Ze vragen me wat er aan de hand is en enigszins geïrriteerd leg ik uit dat ik in mijn land een beroemde nieuwslezer ben, en dat M zo’n persparasiet is, die me overal volgt en me op de meest ongewenste momenten lastig valt.
Dat zint ze niet. Helemaal niet. Ze voelen mijn pijn. Hoe durft die eikel me lastig te vallen als ik gewoon lekker een avondje uit wil. Ze worden boos, vinden nu ook dat M echt te ver is gegaan en beginnen hun woede te richten op hem. Hij is een grens overgestoken die hij beter niet had kunnen overschrijden. Hij kan zich maar beter zo rap mogelijk uit de voeten maken.
En dat doet hij dan ook maar.

Fans

Zodra hij net ver genoeg uit beeld is om een massale lynchpartij te voorkomen, richten de mensen om me heen zich op mij.

De stemming slaat om als een blad aan een boom. Van agressief naar jolig.
Want, oké, een beroemde nieuwslezer is dan wel geen popidool, maar het is altijd beter dan niets. En hoe groot is nou de kans dat je naast een echte beroemdheid komt te staan in de Rij voor de disco?
Een paar wat verlepte dames besluit de stoute schoenen aan te trekken. Of ze alsjeblieft met me op de foto mogen.

Nu ben ik de beroerdste niet.
Bovendien moet je je fans nooit voor lief nemen.
Daar moet je tijd voor maken. Altijd.
Zo gewoon mogelijk blijven en de roem niet naar je hoofd laten stijgen. Dat is belangrijk.

Foto

Ik wil dus best op de foto. Aan mij ligt het niet.
Het punt is alleen dat niemand een camera bij zich heeft. Het mobiele tijdperk heeft zijn intrede nog niet gedaan, en het is niet zo dat jan en alleman op ieder moment van de dag minstens één apparaat op zak heeft waar een kiekje mee kan worden geschoten.

M blijkt de enige reële optie te zijn.

Ik roep daarom de zojuist door de hele groep verketterde paparazzo bij me en sommeer hem een foto te maken van mij met mijn trouwe Schotse aanhangers.
Hij doet dat.
Gek genoeg vindt niemand dat gek.
Verblind door mijn roem poseren ze enthousiast voor de foto, de foto die ze nooit te zien zullen krijgen.

Bijna ongemerkt ben ik inmiddels in de voorste gelederen van de Rij komen te staan. Het moment dat ik ook echt naar binnen zal moeten komt naderbij.
Dat is nog altijd echt niet de bedoeling en net voordat ik door de portier naar binnen dreig te worden gedirigeerd, verlaat ik de Rij.

Met M en mijn zojuist vergaarde roem loop ik terug naar de jeugdherberg.
Ik vraag me nog wel af waarom helemaal niemand me naar mijn naam heeft gevraagd. Kennelijk doet het niet ter zake hoe je heet als je beroemd bent.

Koksijde. Januari 2012.

De illusie van beroemdheid - WK veldrijden Koksijde
WK Veldrijden in Koksijde

Ruim twaalf jaar later.
Ik ben in een ander land, België, met een andere vriend, P, bij een ander sportevenement, het WK veldrijden, en het is koud, want het is januari.
Toch is het decor vergelijkbaar:
Met vriend in buitenland bij sportwedstrijd.
De ingrediënten voor een avond vol roem zijn wederom aanwezig.

Bier en jenever

Het evenement duurt twee dagen. Morgen, zondag, gaat het eigenlijk pas echt beginnen. Dan mogen de dames en de volwassen mannen onderling gaan uitmaken wie een jaar lang de regenboogtrui om de schouders mag hangen.
Vandaag zijn de junioren en de aanstormende talenten aan de beurt.

We hebben besloten dat we vanmorgen niet noodzakelijkerwijs de hele eerste koers hoeven te zien, en als we rond het middaguur op het enorme terrein verschijnen, zijn we nog maar net op tijd om mee te maken dat een nog zeer jeugdige Matthieu van der Poel de allerbeste junior van de wereld wordt.
Dat moet natuurlijk worden gevierd. Met een bier. En een jenever.

We kijken om ons heen. Hoewel deze dag dus niet meer is dan een voorproefje voor de grote vuurwerkshow morgen, is het ook vandaag al kneiterdruk. En retegezellig.
Vlamingen houden nou eenmaal met heel hun hart en met heel hun ziel van deze sport.
En van bier.
En van jenever.

Bij de beloften wordt opnieuw een Nederlander wereldkampioen. Lars van der Haar. Ook dat moet worden gevierd. Met bier. En met jenever.
En we zijn niet de enigen die hierop drinken. Ook de Vlamingen vieren dat er Nederlanders wereldkampioen zijn geworden. Vlamingen vieren alles.

We vieren net zo lang door tot op het hele terrein alle bier, en alle jenever, op is en gaan dan, zo halverwege het begin van de avond, onze heil elders zoeken.
Lopend tussen wielrenterrein en stadscentrum komen we in gesprek met een groepje Belgen. Zij weten de weg naar de kroeg. Wij volgen ze.

Toontje Lager

In de kroeg is het gezellig. De gesprekken gaan over van alles. En nog wat. Stiltes vallen er eigenlijk nauwelijks, maar als dat dan toch een keer gebeurt, grijpt P dat moment aan om plompverloren en zonder enige aanleiding aan onze tafelgenoten te vragen of ze niet weten wie ik ben.

Ze weten het niet.
Ze kijken nog een keer goed.
Nee.
Ze zien het nog altijd niet.

P zegt dat ik Erik Mesie ben.
De Belgen slaan steil achterover.
Erik Mesie.
De zanger van de vermaarde band Toontje Lager, die in het begin van de jaren 80 zo’n enorme hit heeft gescoord met het prachtige liedje ‘Stiekem Gedanst’.
En die zit nu zomaar bij ze aan tafel.

Ze kijken nog één keer heel goed.
Langzaamaan beginnen ze me te herkennen.
Voor de zekerheid vragen ze mij nog even of het inderdaad waar is. Of ik het echt ben.
Ik ben het niet.
Ik ben Erik Mesie niet. Voor zover ik me hem uit dat enigszins lachwekkende videoclipje voor mijn geest kan halen lijk ik niet eens op Erik Mesie. In geen velden of wegen.

Toch zeg ik dat ik hem echt ben.

Ongelofelijk vinden ze het om met zo’n beroemdheid in het café te mogen zitten. Dat hadden ze vanmorgen bij het opstaan nooit kunnen bedenken.
En niet lang nadat ze over de eerste schok heen zijn, volgt de onvermijdelijke vraag.
Of ik niet een liedje kan zingen.

Stiekem gedanst

Ik denk na.
Stiekem gedanst. Hoe ging dat ook alweer?
‘Ik heb stiekem met je gedanst. Ik hoop dat je het leuk vond’. En iets met 7 januari of zo.
Verder kom ik niet.
Ze hebben nog wel ergens een keer een hitje gehad, Toontje Lager, geloof ik, maar daarvan schiet de titel me nu niet te binnen. En meer liedjes ken ik sowieso niet van ze.
Optreden in een vrij volle kroeg is dus niet per se een goed idee.
Waarbij ik dan nog buiten beschouwing laat dat als ik een lijstje zou maken van dingen waar ik absoluut geen talent voor heb, zingen daarbij zeker in de top drie terecht zou komen.

Toch hoor ik mezelf zeggen dat ik best een liedje wil zingen.

Annabel

Net op tijd heb ik nog wel een geniale ingeving.
Ik leg uit dat ik tegenwoordig alleen nog maar liedjes van Hans de Booij zing, omdat ik dat overbekende hitje van ons spuug- en spuugzat ben.
Is niet erg.
Ze gaan graag akkoord met ‘Annabel’.

Er wordt rap een tafel in stelling gebracht om als provisorisch podium te kunnen dienen.
Ik klauter daar met enige moeite op en begin a cappella aan mijn uitvoering van de wereldhit van collega Hans.
‘Iemand zei dit is Annabel
Ze moet nog naar het station
Neem jij de wagen dan haalt ze het wel
Ik zei “Da’s goed” en reed zo stom als ik kon’

Die eerste regels komen er nog vrij vlekkeloos uit.
Maar daarna slaat de hapering ongenadig toe. Wat niet zo heel gek is. Na al die biertjes, en jenevers, kan ik nauwelijks sprekend nog uit mijn woorden komen, dus laat staan dat ik een liedje, dat ik niet eens zo heel goed ken, foutloos ten gehore kan brengen.

Ik mompel nog wat verder over een leeg perron, dat het allemaal niet meezit en dat de trein net weg is gereden, raak daarna de tekst volledig kwijt en stop er halverwege het nummer maar helemaal mee.

De slechtste cover ooit

Ik realiseer me dat ik zojuist de slechtste cover ooit uit mijn strot heb laten kraken, maar voor mijn drinkgenoten van vanavond, die natuurlijk op zijn minst zo dronken zijn als ik, lijkt dat de pret op geen enkele manier te drukken.
Ze vinden het prachtig.
Want ik ben per slot van rekening toch maar mooi Erik Mesie. En ook al was dit misschien niet mijn beste optreden ooit, het is wel een gratis privé-optreden. En dat pakken ze deze mensen nooit meer af.

Mijn eigen lol zit hem voornamelijk in de volgende ochtend.
Niet in mijn volgende ochtend, want die is vrij beroerd, maar in die van hen.
Dat moment dat één van mijn nieuwe vrienden met moeite zijn bed uit is gerold en nu met een punthoofd aan de ontbijttafel ongeduldig zit te wachten tot moeder de vrouw ook is gaan zitten. Als de kinderen eindelijk hun mond houden, kan hij het niet meer voor zich houden. Hij neemt nog een slok van zijn koffie en zegt dan zo duidelijk en nonchalant mogelijk tussen neus en lippen door: ‘Je raadt nooit met wie ik gisteren in de kroeg ben beland…’

De illusie van beroemdheid

In de trein op weg naar huis, het is dan inmiddels maandagmiddag, tref ik in het bagagerek de Volkskrant van afgelopen zaterdag aan.
Ik heb geen zin om die te gaan lezen. Toch sla ik hem open, willekeurig, maar precies op de plek waar een interview staat afgedrukt met een zanger die jarenlang in de vergetelheid heeft geleefd.
Hoe het nu dan toch met hem gaat.
Met Erik Mesie.

Naast het interview is een paginagrote zwart-witfoto van hem geplaatst.
Ik kan mijn ogen bijna niet geloven.
Ik kijk nog één keer heel goed.
Het is onmiskenbaar.
Ik ben het.
Echt.
Ik ben het echt.
De Belgen hebben het toch goed gezien.
Ik ben Erik Mesie.
Ik ben het echt.
Het is me gelukt.
Ik ben beroemd.

Vorige artikel: Vijf minuten in de regen
Meer reisavonturen lezen? Klik
hier voor een vakantie in IJsland, hier voor een vakantie ‘thuis’ in Zimbabwe, hier voor een bezoek aan de kloosters van Athos, of hier om te beginnen aan mijn boek ‘Figurant in de Hoofdrol’, een boek over mijn fietsreis door Europa en Afrika.

Categorieën: Schrijfsels

0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.