Rillen in de dorpsraad

Gepubliceerd door Marco Singelenberg op

Het vlees in de kuip zijn

Rillen in de nacht - Afrikaans dorp

Het is zaterdagochtend en ik heb spijt.
Zoals bijna altijd ga ik gehuld in niet meer dan een korte broek, een T-shirt en een paar teenslippers en nu ik hier zo zit, op mijn gammele groene plastic stoeltje, heb ik daar spijt van.
Want het is winderig.
Koud zelfs.

Het kost me moeite niet van mijn stoel af te rillen. Maar daar laat ik niets van merken. Of althans, ik probeer daar niets van te laten merken.
Helemaal lukken doet dat niet.

IJsbreker

‘Heb je het koud?’ vraagt de oudere man die op de stoel naast me zit.
‘Nee hoor. Valt wel mee. Waar ik vandaan kom is het altijd koud, dus ik heb er geen last van,’ lieg ik, omdat ik nou eenmaal nog liever doodga dan dat ik ooit toe zal geven dat ik het koud heb.

Mijn wat kinderachtige trotsaanval blijkt een uitstekende ijsbreker te zijn en direct wordt er gevraagd waar ik dan vandaan kom. Dat leidt weer tot een gesprekje over Hollandse winters, de geldsituatie in Zimbabwe en hoe geweldig Afrika is, en voor ik er erg in heb, ben ik verzeild in een conversatie die niet eens zo heel ongemakkelijk is.
Lekker in een kringetje keuvelen met de mannen waar ik bij zit. De mannen waar ik nu bij hoor.
Mijn nieuwe dorpsgenoten.

De mannen en de vrouwen

Wij mannen zitten aan de rechterkant. Tegen het hek aan. De meesten van ons hebben plaatsgenomen op een tot bank gebombardeerde boomstam. Alleen de exemplaren die echt oud zijn én de mystery guest voor vandaag (voor alle duidelijkheid: dan ben ik dus) mogen op een stoel zitten.

Vrouwen zijn er zeker ook. Zij zitten tegenover ons. Aan de linkerkant. Op een rieten mat op de grond. Een meter of 15 bij ons vandaan.
In hun midden zit Michelle. Mijn Michelle, met naast haar tante Lilian die, als ouder en gerespecteerd familielid, 300 kilometer heeft gereisd en vanuit haar dorp naar hier is gekomen om te laten zien hoe belangrijk het voor ons is dit huis te kopen.

De dorpsraad

Iedereen lijkt er klaar voor.
Voor de dorpsraad.
Die vandaag speciaal bij elkaar is geroepen om die nieuwe mensen eens aan een grondige inspectie te kunnen onderwerpen.

Met enige moeite staat de vrouw op die als enige lid van haar geslacht een stoel heeft mogen bemachtigen.
De voorzitster.
Neem ik aan.
Nog voordat ze het woord neemt verstommen alle gesprekken.
Als het helemaal stil is, opent ze de vergadering.
Neem ik aan.

Vervolgens wordt er een uur lang over en weer gepraat.
In het Ndebele.
Een taal die ik geenszins machtig ben.
Ik versta er dan ook niks van, heb er geen idee van waar de soms verhitte discussies over gaan en vestig al mijn hoop maar op de zon, die wat mij betreft ieder moment door de boomtakken heen mag komen piepen.
Dat gebeurt niet.
De plek is met zoveel zorg uitgekozen dat de zon tijdens belangrijke vergaderingen als deze op geen enkele manier voor overlast kan zorgen.
En het blijft dus stervenskoud.

Soms krijg ik wat flarden mee van het gewauwel.
Er worden verwoed dingen heen en weer geroepen en het is me duidelijk dat er iets is dat ofwel 50 ofwel 150 dollar moet gaan kosten. Maar wat dat zou moeten zijn? Wat uiteindelijk de uitkomst is? Geen benul.
Ik blijf me daarom maar concentreren op mijn lichaam, en probeer dat zo weinig mogelijk te laten reageren op de koude vlagen die door de onvoorspelbare wind nog altijd met een zekere regelmaat rondgestrooid worden.

Pas als Michelle plotseling opstaat en tegen de meute begint te praten ben ik er weer helemaal bij.

Margco Singelebegg

De voorzitster heeft haar gevraagd zich voor te stellen en zonder blikken of blozen doet ze dat.
Ik blijf me erover verbazen hoe ze zonder enig probleem kan schakelen tussen vijf talen. Aan de klik- en slisgeluiden die ze uitstoot kan ik opmaken dat ze op dit moment Ndebele spreekt. Net als de rest. En ze spreekt het vloeiend.

Het is best gek haar daar zo te zien staan.
Even kan ik me nauwelijks voorstellen dat ze bij mij hoort, en niet bij al die andere zwarte mensen waar ze op momenten als deze zo naadloos tussen lijkt te passen.
Maar als ze mijn naam zegt en me daarbij even verlegen aankijkt weet ik het weer.
Ze hoort wel degelijk bij mij.

Het lijkt erop dat ze heeft geoefend. Op mijn naam. Normaal gesproken heeft ze er meer moeite mee die uit haar mond te krijgen dan al die vijf talen bij elkaar, maar vandaag spreekt ze hem zonder stotteren en nagenoeg perfect uit.
Margco Singelebegg
Hoor ik haar zeggen.
De voorzitster kijkt haar met een vies gezicht moeilijk aan en vraagt iets in de trant van: ‘WAT!?’
Margco Singelebegg
Herhaalt ze geduldig en hoogstwaarschijnlijk tevergeefs.
Want het lijkt me sterk dat dat iets uithaalt. Ik kan me niet voorstellen dat iemand van de aanwezigen nu ook echt weet hoe ik heet. Maar het wordt voor waarheid aangenomen.

Een beetje raar, maar wel aardig

Dan is het mijn beurt om op te staan.
Ik verontschuldig me in het Engels voor het feit dat ik de taal nog niet spreek, zeg ook maar dat ik Margco Singelebegg heet, haspel nog wat beleefde algemeenheden en vraag of er nog vragen zijn.
Ik kijk om me heen en zie dat de mensen me wel aardig vinden. Misschien een beetje raar, maar wel aardig.
Vragen zijn er niet.

Mijn zwager, die ook mee is, vertaalt wat ik heb gezegd en ongevraagd voegt hij aan mijn woorden toe dat ik bereid ben nieuwe shirtjes te verzorgen voor het plaatselijke voetbalteam, wat me direct mateloos populair maakt en me op een luid applaus komt te staan.
Oké.
Dat wordt dus shirtjes regelen.
Lekker dan.

Inschrijfgeld

Na een uur of twee wordt het officiële gedeelte afgesloten met de mededeling dat ik 50 dollar moet betalen.
De bijdrage voor nieuwe ingezetenen. En, naar nu duidelijk wordt, tevens de uitkomst van de gelddiscussie die tijdens het dorpsoverleg is gevoerd.

Zodra ik het geld plechtig aan de voorzitster heb overhandigd, haast iedereen zich de veel te schaduwrijke vergaderruimte onder de boom uit, en de zon in.
De 10 broden en 2 flessen aanmaaklimonade die we geacht werden mee te nemen zijn bestemd voor de afterparty. Alle aanwezigen krijgen 4 sneetjes droog witbrood en een beker van het zoete goedje aangereikt en gek genoeg smaakt dat als een ware traktatie.

Zodra iedereen alles op heeft, is het hele feest afgelopen en loopt ieder weer zijn kant van het bos in.
Voor we de auto in stappen sommeert Michelle me ook het alleroudste mannetje nog 10 dollar te geven.
Ik vind dat raar en vraag haar waarom ik dat in hemelsnaam zou doen.
‘Omdat hij ons zojuist 100 dollar heeft bespaard,’ zegt ze. ‘Iedereen was ervoor ons 150 te laten betalen, en hij is in zijn eentje dwars blijven liggen, net zolang tot ze er 50 van hebben gemaakt.’

Ingrediënten

Goed.
Het huis is afbetaald.
En de dorpsoudsten vinden het goed dat we er komen wonen.
Dat maakt dat het nu écht van ons is.

Wel stellen we nog snel even een handgeschreven contract op. Voor de zekerheid.
Daarin schrijven we iets van: ‘het huis is nu van Michelle en ze heeft ervoor betaald.’ We laten dat de voormalig eigenaar ondertekenen en voor 2 dollar wordt er bij een bureau dat daartoe bevoegd is een stempel op het A4-tje gezet.
Niet dat dat het nu een heel officieel document maakt hoor. Het is meer bedoeld als een geruststelling voor onszelf. Dat hij het huisje niet zomaar nog een keer aan iemand kan verkopen en dan achteraf kan zeggen dat we toch niets kunnen bewijzen. Zoiets.

En nu kunnen we dan aan de slag. Of beter: we moeten ervoor zorgen dat anderen aan de slag gaan.

Echt heel veel hoeft er niet meer te gebeuren om erin te kunnen wonen. Het belangrijkste is een vloer. Die moet er als eerste in, en daarvoor moeten de volgende ingrediënten ergens vandaan worden getoverd:

  • 12 kuub aan twee verschillende soorten zand.
  • 5 kuub aan steentjes
  • 60 zakken cement
  • Water. Heel veel water.
  • Mannetjes. Om het tot een egaal geheel te maken.

We maken een rondje langs wat winkels om te vragen wat ons dat allemaal zal kosten.
Veel verschil zit er niet in de prijzen die worden genoemd. Of eigenlijk zijn de prijzen die de verschillende winkels aanhouden altijd hetzelfde. De steentjes kosten 55 dollar per kubieke meter, het rivierzand 30 dollar en het andere zand, waarvan ik geen flauw idee heb hoe dat in het Nederlands heet, 20 dollar. En cement kost 8 dollar per zak.

Mannetjes

Maar de winkels zijn niet de beste plek om inkopen te doen. Daar komen we al vrij snel achter.

Min of meer per ongeluk stuiten we op een mannetje dat onder een boom in het dorp die steentjes eigenhandig voor ons wil bikken. Voor een kwart van de prijs. Voor 15 dollar is hij bereid 26 zakken, oftewel 1 kuub, voor ons vol te hakken.
Op maandag vragen we hem 130 zakken voor ons te bikken. Dat kost hem één volledige dag, en dinsdag tegen het einde van de middag belt hij ons op om te zeggen dat onze bestelling klaar staat.

Ons stenenmannetje regelt ook een wagenmannetje, dat de steentjes voor weinig naar ons huisje brengt, en dat wagenmannetje blijkt dan tevens een zandmannetje te zijn. Hij zegt dat als we al het zand bij hem bestellen, we 60 dollar goedkoper uit zullen zijn dan in de winkel.
Tussen neus en lippen door valt het Michelle op dat het zandmannetje dezelfde naam heeft als een van de winkels waar we een prijsopgave hebben gehaald. ‘Ja, dat is dan ook mijn vader.’ Geeft hij desgevraagd toe.

Dus hoe hij precies aan zijn zand komt, en of zijn vader gelukkig zal zijn als hij erachter komt dat zijn eigen zoon buiten wat boekjes om de concurrentie met hem aan is gegaan, ik wil het niet eens weten.
Maar wij hebben goedkoop zand. En goedkope steentjes. Alleen het cement hebben we nog wel in de winkel moeten kopen.
En als het goed is, zijn er op het moment van schrijven weer andere mannetjes, bouwmannetjes, druk bezig van dat alles een onlosmakelijk verbonden geheel te boetseren.

Druk

En ook Michelle is er maar druk mee.
Die heeft ergens op een bouwterrein twee enorme tonnen op de kop getikt en rijdt daar nu iedere dag mee heen en weer om te zorgen dat er genoeg water is. Ze moet nu eens naar Zambia om geld te pinnen, want dat is in Zimbabwe nog altijd op, en dan weer naar Botswana om te kijken of ze goedkope zonne-energie naar ons huis kan brengen.
Maar het schiet op.
Het begint erop te lijken
Nu nog een deur.
En het liefst ook een waterput.
En dan is het bewoonbaar.

Ja.
Michelle is er maar druk mee.

En ik dan?
Ben ik er dan niet druk mee?
Nee.
Ik niet.
Ik ben er niet druk mee.
Op bouwplaatsen heb ik niet veel te zoeken.
Op bouwplaatsen loop ik alleen maar in de weg.
Ik houd nooit zo van bouwplaatsen.

Aan bouwplaatsen heb ik een broertje dood.
Dus ben ik terug naar Nederland gevlucht.
Om geld te zoeken.
Dat is ook belangrijk.
Want dat is op.

Vorige artikel: Bidden in de nacht
Lees hier hoe het zo gekomen is dat we een huis hebben gekocht in Zimbabwe. En klik hier als je meer wilt lezen over de altijd veranderende en steeds ingewikkelder wordende geldsituatie in Zimbabwe.

Categorieën: Schrijfsels

0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.