De basis van een fietsreis – Eten

Gepubliceerd door Marco Singelenberg op

De basis van een fietsreis - Eten in Turkije
Eten in Turkije

Als je niet eet, dan ga je dood

Slapen lukt dus wel. Met slapen komt het wel goed.
Maar met slapen alleen kom je er niet.
Je moet ook eten.
Want als je niet eet, dan ga je dood.
Gelukkig geldt voor eten in beginsel wat voor slaapplekken ook geldt. Je kunt er overal en altijd wel aan komen.

In elk land, in elk gebied, in elke streek, is er wel iets aan eten te vinden waar je goed op kunt fietsen.
Zo heb ik in Finland de lefse ontdekt, zakken met platte, ronde broodjes van aardappelmeel, die niet alleen bijzonder smakelijk zijn, maar waarop je ook met gemak twee hele dagen kunt fietsen. In Zuid-Afrika is biltong uitstekend fietsvoer, in Malawi hebben ze verrassend lekkere pindakaas, in Marokko kun je bij zo’n beetje iedere kiosk langs de kant van de weg gekookte eieren per stuk kopen en de Afrikaanse vrouwen die overal rondlopen met van die enorme emmers op hun hoofd, die kun je gewoon aanspreken. Met genoegen zullen ze je laten zien welke lekkernijen, van vers fruit tot gedroogde vis en oliebolachtige meelbollen, je voor een habbekrats van ze kunt kopen.

Eten omdat het kan

In de eerste plaats zie ik al dat eten als een middel om te overleven. Zoals gezegd, als je niet eet, dan ga je dood.

Maar van tijd tot tijd moet ik van mezelf die survivalmodus vergeten, zodat ik me volledig over kan geven aan de lokale specialiteiten die op dat moment voorhanden zijn.

Ik zou het bijvoorbeeld een doodzonde vinden geen rendierbouillon te eten als ik toch in Lapland ben. Datzelfde geldt voor worst van eland en beer in Estland en borsjt in Rusland.
In Oekraïne wil ik konijnenpoot met bloedworst eten en in Griekenland moussaka en kleftiko. In Turkije zijn er geweldige gaarkeukens, waar je voor heel weinig geld zoveel lekkers kunt eten als je maar wilt, in Portugal sla ik de bacalhau niet over en in Andalusië kan ik toch echt de stierenstaart en de paella niet laten staan.

In Marokko eet ik de alom aanwezige tajines uit die geweldige aardenwerken schalen, in West-Afrika is de rijst met pindasaus even lekker als eenvoudig en in Ethiopië kom ik met de beste wil van de wereld niet uit onder de injara’s, die enorme, zurige, maar heerlijke pannenkoeken.
In Tanzania eten ze alles met nshima, in Zimbabwe komt de krokodilfilet rechtstreeks uit de Zambezi en in Zuid-Afrika eet ik eerst de eieren van de struisvogel en daarna de struisvogel zelf. En de volgende dag kippenlever. Als ontbijt.

Eten omdat het moet

Maar, hoe aangenaam ik het ook vind om lekker te eten, niet iedere avond hoeft per se een culinaire belevenis te zijn.
Ik hoef niet iedere avond in een uitstekend restaurant te eten.

Het kan ook geweldig zijn om, moe van een lange dag fietsen, met een fles bier aan een wiebelig tafeltje in de hoek van een eenvoudig eettentje te zitten wachten op mijn eten. Heerlijk vind ik het om daar dan zo opvallend mogelijk onopvallend te gaan zitten doen en daarbij de mensen om me heen te bespioneren.
Terwijl ik nonchalant een slok van mijn bier neem, en ik heus wel doorheb dat al die mensen ook naar mij kijken, krijg ik dan een bord met spaghetti, spiegeleieren op brood, pizza of taaie kip met slappe koude patat voorgeschoteld, en dat kan ik vervolgens met zoveel smaak leegeten, dat het net is of ik wel in een sterrenrestaurant zit te dineren.

Kant en klaar

Het gebeurt ook wel dat ik te moe ben om ergens uitgebreid te gaan eten. Soms heb ik er gewoon geen zin in om lang ergens te gaan zitten.
Toch is er ook dan meestal wel een plek te vinden waar snel en kant en klaar iets op mijn bord gekwakt kan worden.

In een pension kan er bijvoorbeeld voor een kleine bijdrage een bord met daarop een volle pollepel van wat de pot die avond schaft op mijn kamer worden gebracht. Of ik prik voor het gemak een vorkje in het sfeerloze hotel waar ik die nacht slaap.
En in Oost-Europa en Afrika hebben ze in supermarkten het briljante idee gehad vitrines met warm eten neer te zetten, zodat ik, om aan een complete warme maaltijd te komen, alleen maar in gebarentaal duidelijk hoef te maken welke salade en hoeveel worsten ik wil hebben.

Zelf koken

Waar het in ieder geval op neerkomt, dat moge duidelijk zijn, is dat ik het het liefst zo regel, dat ik zo weinig mogelijk zelf hoef te doen als het om eten klaarmaken gaat.

Maar omdat in het gemiddelde bos nou eenmaal geen Kentucky Fried Chicken te vinden is, moet ik er toch voor zorgen dat ik altijd iets te eten in mijn fietstassen heb zitten.
Ik heb dan ook altijd voor minimaal twee dagen eten bij me. In wat onherbergzamer gebieden kan dat voor drie dagen zijn, maar meer is eigenlijk nooit nodig.

En voor wat dat eten betreft doe ik nooit zo ingewikkeld. Als ik in het bos bij mijn tent mijn eigen eten moet klaarmaken, dan bestaat die maaltijd negen van de tien keer uit pasta.
Water koken, pasta erin, pot saus erbij, blik tonijn of wat gedroogde vis erdoor, mocht ik dat toevallig bij me hebben, dan het eindresultaat naar binnen proppen, koffiezetten, opruimen en slapen.
Eenvoudig, vullend, best lekker en vooral heel snel.

Als ik een paar uur later dan weer opsta, zet ik een kop oploskoffie en gooi ik een pak lang houdbare melk bij een kom cornflakes.
En daar kan ik dan zo weer een halve dag op vooruit.

Volgende: De basis – Drinken
Vorige: De basis – Slapen
Of begin hier gewoon bij het begin van mijn boek ‘Figurant in de Hoofdrol’

Categorieën: 15 De Basis

0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.